Waar zijn de resten van het Gravenhuis gebleven?

In de Koning Albertstraat bevond zich tot na de Tweede Wereldoorlog het Gravenhuis, eeuwen geleden eigendom van de adellijke familie de Geloes. Dat Gravenhuis werd afgebroken met de stellige belofte dat het nadien ergens op een ‘interessante’ plaats in Hasselt zou heropgebouwd worden. In afwachting werden de resten van het Gravenhuis in Bokrijk opgeslagen. Maar wat blijkt? In Bokrijk is nauwelijks nog een spoor te vinden van het gebouw. Wat betekent dat we naar het Gravenhuis, dat tot en met 1961 een sieraad van het Hasseltse erfgoed was, voorgoed mogen fluiten. We trappen ongetwijfeld een open deur in wanneer we stellen dat Hasselt enigszins nonchalant met zijn erfgoed omspringt.

Bij de bouw van het nieuwe stadhuis werd het gebied conform de wetgeving archeologisch verkend en toen is het Gravenhuis nog even ter sprake gekomen. De site van het nieuwe stadhuis is gelegen op het terrein van de oude rijkswachtkazerne, op de linkeroever van de Helbeek. In de 19de eeuw was het terrein eigendom van de puissant rijke stoker Frans Teuwens, eigenaar van het helaas afgebroken Gravenhuis in de toenmalige Nieuwstraat (de huidige Koning Albertstraat).

Na afbraak van de stadswallen liet deze er een verbinding met de boulevard aanleggen, zodat de bewoners van het huis makkelijk met paard en koets het pand konden verlaten. Bij de bouw van de rijkswachtkazerne werd de grond door de eigenaar afgestaan. Het nieuwe stadhuis ligt dus eigenlijk voor groot deel waar vroeger de tuin van het Gravenhuis was.

Het terrein was gelegen binnen de Middeleeuwse stadsomwalling, die vanaf 1846 werd gesloopt. Algemeen wordt aangenomen dat de oudste kern van Hasselt hier aan de oevers van de Helbeek was gelegen, maar concrete bewijzen dat dit inderdaad zo is liggen tot dusver nog niet op tafel. De meeste historici baseren zich op altijd maar dezelfde bronnen, die meestal op legendes gebaseerd zijn. De wijk gelegen aan beide oevers van de Helbeek werd destijds niet onlogisch ‘de Beek’ genoemd en stond bekend als een volkswijk. Dat was al zo van oudsher, als we de Beschrijving van Hasselt in de één van de publicaties van de Melofielen  mogen geloven. In de beschreven periode (eind 18de-begin 19de eeuw) werd onder de Beek slechts de buurt verstaan tussen de Beerenstraat en de stadswallen, in de laatste fase van het bestaan werd ze uitgebreid tot en met de Maastrichter- en de beide Capucienenstraten.

Onder het Franse tijdperk woonden in de wijk vooral werklieden (dagloners, nogal wat zakdragers) en kleine landbouwers. De Beekstraat (de huidige Sint-Jozefstraat) was voor 1830 volgens de Beschrijving van Hasselt het kwartier waar de personen van de laagste klasse woonde. ’s Avonds werd de buurt gemeden en er zouden heel wat ‘slechte’ vrouwen verbleven hebben. Een halve eeuw later blijken die ‘slechte’ vrouwen over heel de stad verspreid te wonen. Le Constitutionnel maakte in 1882 gewag van een serie processen wegens het aansporen van ontucht van mijnwerkers. De Beekbuurt werd in de krant echter niet expliciet vermeld. Ook in de Beerenstraat en de Grachtstraat woonden rond 1830 vooral kleine landbouwers. In tijden van armoede, bijvoorbeeld rond 1850, blijken de inwoners van de buurt nogal eens betrokken bij de diefstal van vruchten op het land. De Beschrijving van Hasselt vermeldt nadrukkelijk dat er in de buurt in 1800 nog altijd huizen met strooien danken waren, wat de brandbeveiligheid in de weg stond. De armoede van deze buurt stond uiteraard in schril contrast met de grandeur die het Gravenhuis tot en met 1961 uitstraalde;

by Jos Sterk
by Jos Sterk
This article was originally published on vaartheemkundegroothasselt