Hasselaren reageerden al voor de Eerste Wereldoorlog soms racistisch

Racisme is blijkbaar van alle tijden en alle plaatsen, want Hasselt kreeg er al in 1912 mee te maken. Er liep namelijk in de Limburgse provinciehoofdplaats een Congolees rond die mee was gekomen met een ex-koloniaal, een ex-handelaar die jarenlang in Congo had verbleven. De jongen was 15 jaar oud en volgde een opleiding als schrijnwerker in de Ambachtsschool aan de Tramstraat.

Op weg naar de school werd hij echter rond het middaguur telkens gepest door een 30-tal werknemers van de diamantslijperij die in de buurt van zijn school was gelegen. Deze slaakten oerwoudkreten en plaagden de student. Die werd kwaad en gooide met een steen, waarbij een antwoord kwam in de vorm van een plavei. De arme Congolees raakte bewusteloos en had verzorging nodig. “De Toekomst van Limburg” vroeg zich af waar de behoefte aan beschaving het grootst was: in Hasselt of in Congo? Hierbij wel de opmerking dat de Hasselaren in die tijd waarschijnlijk nauwelijks andersgekleurde medemensen hadden gezien.

“De Toekomst van Limburg” berichtte over een mulat uit de Kempen die wegens wildplassen voor de rechter was beland. De man was de zoon van een zwarte Congolese man en een blanke Vlaamse vrouw, was in die dagen nog een curiosum. Jan (zo luidde zijn naam) legde aan de rechter uit dat hij niet wist dat wildplassen verboden was. Hij slaagde er niet zo snel in om een wc te vinden en had zijn gevoeg dus maar op straat gedaan. De rechter toonde begrip en gaf hem slechts een voorwaardelijke straf.

Belgisch Congo was voor de Eerste Wereldoorlog een populaire bestemming voor wie niet wist van welk hout pijlen maken. Wie gaat mee naar Katanga?, zo vroeg “De Gazet van Hasselt” zich af. Het ministerie van Koloniën had behoefte aan metsers, loodgieters en timmerlieden. Wie zijn vakbekwaamheid kon bewijzen, kreeg de reis gratis aangeboden. Bestemming was Elisabethstad aan de grens met Katanga. Een luilekkerland was Congo echter niet, een Hasselaar die door Katanga had gereisd kon vaststellen dat de levensmiddelen er vrij duur waren.

Ook de “Toekomst van Limburg” had een regelmatige rubriek ‘Limburgers in de Congo’. In 1910 vertrok een zekere Rhodain, afkomstig van Heers maar oud-leerling van het Hasselts atheneum, naar de kolonie. Als bacterioloog was hem gevraagd om een oplossing voor de slaapziekte te zoeken. Rhodain, die in 1909 al de minister van koloniën had vergezeld op een reis door Congo, vertrok in gezelschap van vier dokters en één insectenkenner. Hij zou eerst naar Noord-Katanga trekken en vervolgens afzakken naar Bukama, vlakbij de watervallen van Katengwe. Deze streek werd erg geteisterd door de slaapziekte.

De krant legde echter meteen een link van de Congo naar Limburg. Er was namelijk veel kritiek op de uitverkoop van de mijngebieden in de kolonie. De socialist Vandevelde vroeg in het parlement waarom er niet evenveel kritiek werd gegeven op het afstaan van de mijngebieden in de Kempen aan schatrijke kapitalisten. De Toekomst van Limburg merkte op dat de Limburgers door de regering nog slechter behandeld werden als de negers in Congo. We hebben daartegen geprotesteerd, zo stelde de krant, maar het hielp niet. Limburg werd in die tijd inderdaad nog gediscrimineerd.

Kritische opmerkingen over Congo waren er af en toe ook. De Gazet van Hasselt, bekend om haar Vlaamsgezind karakter, stelde dat zolang het Vlaams in Congo als een vreemde indringster werd beschouwd alles zou voorkomen worden om te beletten dat Vlaamse boeren in de kolonie zouden gaan werken.

by Jos Sterk
by Jos Sterk
This article was originally published on vaartheemkundegroothasselt