Hasselaren maakten al voor WO I carrière in Belgisch-Congo: Willems kweekte olifanten

Voor de Eerste Wereldoorlog had het toenmalig Belgische Congo een grote behoefte aan kandidaat-kolonialen om de Afrikaanse kolonie te helpen uitbouwen. Uiteraard maakten ook veel Hasselaren carrière in Belgisch-Congo. Sommigen van hen keerden later terug, andere overleden daar of sleten hun laatste levensjaren in Brussel. Maar niet iedereen trok daadwerkelijk naar Afrika om daar carrière te maken, sommigen slaagden er in om van hieruit Congo te helpen besturen.

Een bekende Hasselaar die het ver heeft geschopt, was Hubert Droogmans. Vlak voor de Eerste Wereldoorlog deden geruchten de ronde dat hij algemeen secretaris van het ministerie van financiën zou worden, geruchten die uiteindelijk ook bevestigd werden. Hij was echter ook kandidaat voor een andere topfunctie, want volgens Le Matin was hij mee in de running geweest voor het Belgisch koloniaal bestuur.

Droogmans was volgens de pers een man met een buitengewoon talent die bovendien al ervaring had opgedaan in het koloniaal geldwezen. Daarom kreeg hij de Orde van de Leeuw toegewezen. Hubert Droogmans was algemeen secretaris van het ministerie van Koloniën geweest, maar nam in 1911 ontslag. Hij bleef wel voorzitter van het bijzonder comiteit voor Katanga.

Last van malaria

Verschillende Hasselaren verbleven in 1911 in Congo. Dat was onder meer het geval met Henri Sprengers, zoon van de stadsontvanger. Die was verhuisd naar Kinshasa, een plaats die volgens de pers van die tijd vlakbij Leopoldville was gelegen, waar hij agent was geworden van een bedrijf dat ABC heette. Op zijn reis was hij zijn stadsgenoot Arthur Beeken in Boma gaan opzoeken, die maandenlang last had gehad van malaria. Beeken stond op een foto omringd door zwarten, volgens De Toekomst van Limburg voelde hij zich volslagen op zijn gemak in die tropische omgeving. Hij berichtte wel over de ontploffing van een munitiedepot in Matadi, waar verschillende blanken het slachtoffer van werden.  

De Toekomst van Limburg besteedde ook ruimschoots aandacht aan de beroemde Hasselaar Louis Stappers, zoon van de gemeentesecretaris, die na vele landen op zijn reizen bezocht te hebben al enkele jaren wetenschappelijk onderzoek in Congo deed. Stappers zou op 13 februari 1913 zijn taak beëindigen, hoewel het ministerie van koloniën hem had gevraagd om zijn opdracht met een jaar te verlengen. Stappers vond het tijd om zijn ouders terug te zien.

De belevenissen van Stappers in Congo werden door de lokale pers in de mate van het mogelijke op de voet gevolgd. Al in november 1911 berichtte De Toekomst van Limburg dat Stappers, die enkele maanden voordien door het museum van Tervuren naar Congo was gestuurd, met zijn team de Luapula (een deel van de Congorivier) onderzocht. Hij was op moment van schrijven in Lukarzolwa aan het Moeromeer.

 ‘In den Congo’, zo luidde de kop van een artikel in “De Toekomst van Limburg“ enkele weken later. Hasselaar Arthur Beeken bleek op uitstap te zijn geweest naar Zambi, een streek stroomafwaarts van Boma en bekend voor het kweken van vee. Hij had goed nieuws van Henri Sprengers (‘is goed aangepast en kerngezond’), waar hij in regelmatig contact mee stond en van luitenant Willems. Laatstgenoemde, die zich bezighield met de kweek van olifanten, keerde voorgoed terug naar België. Beeken schreef nog dat het in Congo 35° was, dat de appelsienenbomen bloeiden en dat de mangovruchten rijp waren. ‘Gelukkig land’ zo blokletterde de krant.

In december 1911 kwam Hasselaar Vandersmissen terug uit Congo, waar hij al drie diensttermijnen achter de rug had. Na 9 jaar in de kolonie te hebben doorgebracht, was hij die nog niet beu. Vandersmissen zou na een kort verblijf in Hasselt weer naar Congo vertrekken. Hij scheepte in op het stoomschip Albertville, waar hij ingeschreven stond als militair agent eerste klasse.

Opzichter van de spoorweg in de Grote Meren

Gaspard Aerden was met diezelfde Albertville in Antwerpen gearriveerd na een verblijf van twee jaar in Congo. Deze Hasselaar was statieoverste en opzichter van de spoorweg van de Grote Meren in Kindu. Van de geplande 400 km van deze spoorweg was op dat moment (1911 dus) al 92 km aangelegd. Op 28 januari van het jaar nadien zou hij opnieuw naar de kolonie vertrekken.

Eind 1911 kwam Aerden dus opnieuw vanuit Congo terug naar Hasselt, samen met Louis Sarolea uit Diepenbeek. Op dinsdag 7 maart arriveerden ze met een tweede Diepenbekenaar (Achten) met de Bruxellesville in Antwerpen. Arthur Beeken, die nog in Boma vertoefde, liet weten dat hij het daar goed maakte met 36°in de schaduw. Dankzij Beeken had de Hasseltse krantenlezer een goed beeld van de klimatologische omstandigheden in de kolonie. Maar Gaspard Aerden werd helaas het slachtoffer van dat tropische klimaat, hij overleed aan malaria.

L.M.A.J. Saroléa, familielid van de Hasseltse Saroléa’s, werd in 1907 bevorderd van zone-overste tweede klasse tot adjunct-hoofd eerste klasse. Deze Hasselaar, kapitein-commandant in het Congolese leger, verbleef al acht jaar in Midden-Afrika en zou binnenkort opnieuw vertrekken voor een volgende termijn. Hasselaar Jan Van Rey, advocaat-pleitbezorger, vertrok naar Congo, waar hij in 1910 benoemd was tot rechter bij het parket van Boma.

by Jos Sterk
by Jos Sterk
This article was originally published on vaartheemkundegroothasselt