De laatste boswachter van de graaf op het kasteel van Wideux

Julien Carolus was boswachter op het kasteel van Wideux in Sint-Lambrechts-Herk en daarnaast ook een vrij grote boer. Waarschijnlijk kon hij goedkoop grond pachten van de kasteelheer. Na de dood van de laatste baron heeft hij de economische uitbating van diens goederen nog een tijdje verder gezet. Het vreemde van zaak is dat hij Frans schreef en dus waarschijnlijk sprak, wat in die tijd (hij stierf in 1940) erg ongewoon was voor een boer.

De oudste leden van zijn gezin zijn echter niet in de Oude Maas geboren, maar wat verderop in de Grote Roost. Bij het begin van de Grote Roost lag dichtbij Stevoort een lemen huisje dat inmiddels is gerestaureerd en heropgebouwd. Ongeveer 30 jaar geleden stonden alleen de muren nog overeind en dat was de reden waarom één van zijn afstammelingen van een aankoop afzag. Voor de Eerste Wereldoorlog was er nog veel bos rond het kasteel van Wideux, regelmatig vond er de verkoop van hout plaats. Julien was overigens de derde generatie die actief was als boswachter op het kasteel van Wideux. Zijn vader verkocht er rond 1870 parkieten, wat in die tijd ook niet echt gewoon was. Mogelijk was een voorvader Carolus in hun vaderland ook boswachter.

Na de dood van vader Julien of Juliaan werd de boerderij verder gezet door zijn zoon Michel (nonk Chel) en zijn dochters Lucie (tante Sieke) en tante Florentine (tante Tin). Chel stierf eerst, daarna zetten Sieke en Tin de boerderij verder. Ze kwamen elke dinsdag en vrijdag met boter en eieren naar de Hasseltse markt en parkeerden hun fietsen dan bij hun zuster Maria (getrouwd Philippars). Tante Sieke en nonk Chel waren stille mensen, maar tante Tin werd ook wel de ‘Donderwolk’ genoemd. Ze ging er prat op de mooiste vrouw van Sint-Lambrechts-Herk te zijn, maar alle mannen gingen uiteindelijk voor haar op de loop. Onder andere iemand van Stevoort, die later getrouwd is met een andere vrouw en daarmee 16 kinderen had. Zolang nonk Chel nog leefde bewerkte het ongetrouwde trio hun grond met het paard Jeanne. Eén van de kleinkinderen van hun zuster herinnert zich nog dat hij daar op de hooiwagen mocht meerijden, waar hij voor de rest van zijn leven hoogtevrees aan heeft overgehouden. Ze bezaten onder andere ook grond in het nabijgelegen Runxt bij, op dewelke nu nog achterkleinkinderen van Juliaan wonen.

Tante Tin kon alleen maar Hoog-Runxters, het lokale dialect, maar daar kon ze wel vreselijk in te keer gaan. Vooral haar ‘iech weur de schoenste vreu van hiel het derrep’ (ik was de schoonste vrouw van heel het dorp) klinkt bij haar verwanten nog na. De kleinkinderen van zuster Maria kwamen graag op de boerderij spelen, ze kregen daar het speelgoed van voor de Eerste Wereldoorlog om mee te spelen. Onder andere een boekje met een kind dat zijn haren of nagels knipte en dus hoogst eigenaardig uitzag. Maar het plezantst was het bezoek aan de stallen, waar het rook naar koe. Er zaten dan ook heel wat koeien in de stal. Achter het huis lag het Armenbos en het Doornebosje (Djeurenboske). Tante Tin noemde de grond achter de overkant van de kapel nog steeds ‘de bos’, hoewel de bos daar in de jaren 30 van de 20ste eeuw werd gerooid.

by Jos Sterk
by Jos Sterk